Zevende voortgangsrapportage voor de minister van Infrastructuur en Waterstaat

19-06-2024
124 keer bekeken

NZO Voorzitter Sybilla Dekker heeft de zevende voortgangsrapportage van het Noordzeeoverleg aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat aangeboden. Deze voortgangsrapportage gaat over de periode november 2023 tot mei 2024, en is afgelopen week door de minister ook met de Tweede Kamer gedeeld.

Leest u de onderstaande tekst liever in een PDF? Download de zevende voortgangsrapportage met begeleidende brief van Sybilla Dekker aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Noordzeeoverleg (NZO): samenwerking, evaluatie en resultaten Voortgangsrapportage 7 over de periode november 2023 – mei 2024

In het Noordzeeakkoord (NZA) staan de voedsel- en visserijtransitie, de energietransitie en de natuurtransitie centraal, met aandacht voor het waarborgen van de veilige scheepvaart op de Noordzee. In deze verslagleggingsperiode is er op verschillende vlakken voortgang geboekt in de uitvoering van het Noordzeeakkoord. In de uitvoering van de afspraken van het Noordzeeakkoord en in het Noordzeeoverleg (NZO) blijft de samenhang van de transities de kern van het werk. Dit vroeg ook de afgelopen periode om extra inspanning op het gebied van de natuurtransitie en de voedsel- en visserijtransitie.

Evaluatie Noordzeeakkoord en ‘Transitiefonds’

In voortgangsrapportage 6 bent u geïnformeerd over de evaluatie van het NZA en het bijbehorende ‘Transitiefonds’ dat de middelen bevat voor de uitvoering van het akkoord. Dit is overeenkomstig de bepalingen uit het NZA (blz. 8 en art. 3.9) en het ‘Advies afspraken governance NZO' van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) (art. 4.11, 4.12 en 5.4). De evaluatie, uitgevoerd door Lysias Advies, is in december 2023 afgerond. De evaluatie maakt inzichtelijk dat in het Noordzeeoverleg met veel inzet wordt samengewerkt aan de implementatie van het NZA en aan de vraagstukken waarvoor partijen zich gesteld zien op de Noordzee. Wel wordt geconstateerd dat het NZO achterloopt op schema met de implementatie van de afspraken uit het NZA en dat het – vanwege nieuw opgekomen en verderstrekkende ontwikkelingen –de vraag is hoe de beoogde balans tussen de energietransitie, de natuurtransitie en de voedseltransitie vormgegeven kan worden. De energietransitie versnelt met de kabinetsambitie richting 2050 en de natuur- en voedsel- en visserijtransitie hebben een lager tempo. Echter, er zijn stappen gezet op weg naar een versnelling in deze transities. De stappen die zijn gezet worden hieronder per transitie toegelicht.

Over het toereikend zijn van het ‘Transitiefonds’ geeft de evaluatie geen uitsluitsel of de middelen in het ‘Transitiefonds’ voldoende zijn om de doelstellingen van het Noordzeeakkoord daadwerkelijk te verwezenlijken. Ook werd het inzicht van het NZO in de besteding van de middelen en werkwijze van het ‘Transitiefonds’ als onvoldoende ervaren. De middelen uit het ‘Transitiefonds’ staan op de Rijksbegroting (IenW, LNV, EZK). Daarom zijn er in het NZO afspraken gemaakt over een werkwijze waarbij het inzicht in de middelen vergroot wordt en op consensus gericht overleg structureel gevoerd wordt over de besteding van de middelen in het ‘Transitiefonds’.

In de evaluatie zijn verschillende aanbevelingen geformuleerd over de werkwijze en de toekomst van het Noordzeeoverleg. Een van de aanbevelingen luidt dat het NZO moet verkennen hoe het aankijkt tegen het samenwerken aan een toekomstbestendige Noordzee na 2030. In samenspraak met de NZO-leden geef ik op dit moment vorm aan een vervolgtraject waarin deze verkenning centraal staat. Want de Noordzee en het gebruik van de Noordzee verandert, dus het is zaak om tijdig mee te veranderen, om te kunnen inspelen op de opgaven die eraan komen.

Voedsel en visserij

Voor de voedseltransitie is het cruciaal om tot een rendabele en duurzame visserij te komen die naar aard en omvang past bij de nieuwe situatie op de Noordzee en ook om aan aquacultuur op de Noordzee de ruimte te geven. De omvang van de visserijvloot op de Noordzee is aanzienlijk verminderd, een belangrijke stap in deze transitie. Nu is het van belang dat de sector de mogelijkheid krijgt zich te ontwikkelen en daarbij de mogelijkheden kan benutten om mariene eiwitten uit zee te kunnen blijven halen met minder impact op de natuur. De “Visie op voedsel uit Zee en Grote Wateren” van minister Adema 1, die is opgesteld in nauwe samenwerking met het NZO, schetst een gedragen toekomstbeeld voor de voedsel- en visserijsector die past binnen de draagkracht van het ecosysteem. Vanuit het NZO wordt deze visie gezien als een goede basis voor de voedseltransitie op zee en het werken aan een toekomstbestendige visserij. Het NZO benadrukt de randvoorwaarden ‘er moet gebruiksruimte zijn voor voedselwinning uit zee’ en ‘voorlopers en veranderaars moeten betrokken worden’.

Naast deze “Visie voedsel uit Zee en Grote Wateren” zijn er binnen het NZO verdere stappen gezet richting een voedseltransitie uit zee. Als NZO-voorzitter heb ik in samenspraak met NZO-leden het bureau “De Gemeynt” gevraagd de mogelijke transitiepaden in kaart te brengen. Het eindrapport van “De Gemeynt” biedt handvatten voor het NZO om de transitiepaden verder uit te werken. Dit wordt opgepakt in samenhang met de uitvoeringsagenda van de Voedselvisie. Ook is er inzicht gecreëerd in de gelden uit het ‘Transitiefonds’ die voor de uitvoering van de Kottervisie bedoeld zijn. In het kader van afspraak 4.44 over het openstellen van het Nederlandse deel van de Scholbox zijn de meest recente onderzoeken in het NZO toegelicht en is het gesprek gestart om deze NZA-afspraak in nauwe samenwerking met het ministerie van LNV uit te voeren.

Energie en infrastructuur

In de afgelopen periode is er zowel aandacht geweest voor hernieuwbare energie op zee en mijnbouwactiviteiten als de bijbehorende infrastructuur zoals kabels en leidingen. Een mijlpaal tijdens deze periode is de publicatie van het ‘Afwegingskader Natuurvriendelijk bouwen Noordzee, onderzoek naar natuurbeschermende en natuurversterkende maatregelen voor energie infrastructuur op de Noordzee’, opgesteld door Witteveen+Bos in opdracht van het NZO (NZA o.a. art. 5.2, 5.6 en Bijlage 5). Dit afwegingskader is het eerste in zijn soort. De komende periode worden afspraken gemaakt in het NZO over de toepassing ervan in de praktijk van verschillende sectoren op zee.

In de afgelopen maanden heeft het NZO gesproken over gaswinning op de Noordzee. Na de publicatie van het rapport “Gaswinning op de Noordzee” en de afspraken daarover in het Noordzeeakkoord door CE Delft en TNO (december 2022) bleef er verschil van interpretatie bestaan van de vraag of gaswinning op zee past binnen de afspraken van het Parijsakkoord. Dit verschil komt voort uit de keuze van het wel of niet toepassen van de koolstofbudget benadering op het Nederlandse klimaatbeleid, en de voortzetting van de vergunningverlening voor gaswinningsprojecten op zee tot 2045 terwijl in de interpretatie van de natuurorganisaties een eerdere einddatum voor vergunningverlening nodig is. Dit heeft er in maart dit jaar uiteindelijk toe geleid dat Greenpeace zich terugtrok uit het Noordzeeakkoord. De partijen uit het Noordzeeoverleg en ik als voorzitter betreuren de opzegging door Greenpeace en benadrukken dat het belangrijk is om in gesprek te blijven over gaswinning en de consequenties van de kabinetskeuze voor de uitvoering van de afspraken uit het Noordzeeakkoord.

In het kader van mijnbouwactiviteiten is er volgens afspraak (art 4.37) ook inzicht gegeven in de ontwikkelingen van gaswinning in Natura2000-gebieden en is het NZO geïnformeerd over nieuwe initiatieven en vergunningaanvragen voor mijnbouwactiviteiten op zee (NZA art. 5.11). Daarnaast zijn er ontwikkelingen op het gebied van CCS besproken, zoals ook het voorkeursalternatief voor het project Aramis. In het kader van Windenergie op Zee is het NZO betrokken bij programma Verbindingen aanlanding Wind Op Zee (VAWOZ) 2031-2040 en de voorbereidingen van de partiële herziening van het Programma Noordzee 2022-2027. Ook is er aandacht geweest voor andere vormen van energieopwekking op zee, zoals de ontwikkeling van zonne-energie op zee.

Natuur

Met de invulling van de afspraken van het Noordzeeakkoord wordt gewerkt aan een schone en gezonde Noordzee. Uit verschillende onderzoeken, en recente publicaties zoals de “Quality Status Report” van OSPAR en de “Staat van de Noordzee” wordt duidelijk dat het slecht gaat met de Noordzeenatuur. Dit vraagt om een versnelling van de natuurtransitie en de afspraken die hiermee samenhangen.

Op dit moment is 5% van de Noordzeebodem beschermd tegen bodemberoering door visserij. De procedure voor de aanwijzing van de instandhoudingsmaatregelen die in afspraak 4.40 staan beschreven, is nu vanuit het Rijk in gang gezet bij de Europese Commissie. Als de Europese Commissie het voorstel met de gebieden uit NZA 4.40 goedkeurt, stijgt het percentage gebieden dat gevrijwaard wordt van bodemberoerende visserij naar 13,7%. In de afgelopen periode is er in het NZO gewerkt aan de invulling van de extra 1,3% te sluiten gebied, waarmee invulling wordt gegeven aan NZA artikel 4.38 waarin is afgesproken te komen tot 15% voor bodemberoerende visserij beschermd gebied voor 2030.

Voor de aanwijzing van deze 1,3% is er een gemeenschappelijke kennisbasis gecreëerd op basis waarvan besluitvorming kan plaatsvinden. Binnen dit proces streeft het NZO ernaar om aan het einde van 2024 conclusies te trekken over de gebiedskeuze.
Daarmee kan de Rijksoverheid de nodige stappen in gang zetten in Europa voor de implementatie hiervan. Bij de afweging voor de gebiedskeuze wordt er rekening gehouden met artikel 4.31 en 4.32 waarin staat beschreven dat natuurbescherming dient te geschieden op natuurkwaliteit en op basis van een integrale afweging van de ecologische kwaliteiten van een gebied, rekening houdend met de sociaaleconomische gevolgen, maar ook artikel 4.35 over onderzoek naar zandkokerwormriffen. Verder wordt er ook rekening gehouden met NZA artikel 4.49, waarin staat de implementatie van deze maatregel pas van kracht wordt wanneer de middelen van het ‘Transitiefonds’ voor de voedseltransitie beschikbaar zijn gesteld. In de Tweede Kamer is er aandacht geweest voor de invulling van deze afspraak, in combinatie met de invulling van natuurcompensatie in de Voordelta. Als voorzitter van het NZO, en met mij de NZO- leden, vind ik het belangrijk dat hier op consensus gericht overleg over wordt gevoerd binnen het NZO.

In maart 2024 is door het OFL een consultatie over de actualisatie van de Mariene strategie deel 1 uitgevoerd. Het NZO en ik als voorzitter ben hier bij betrokken geweest om de samenhang met het NZA te borgen, aangezien de Mariene strategie een belangrijk onderdeel is van het (internationale) werk aan een gezonde Noordzee.

Het MONS-programma en onderzoek

In december 2023 is de eerste versie van de “Staat van de Noordzee” gepubliceerd (art. 7.9) en aan de Ministers van IenW, van LNV, voor KenE en voor NenS aangeboden. Deze rapportage, die elke twee jaar wordt opgesteld, is gebaseerd op de meest recente (internationale) onderzoeken. De boodschap is helder en geeft een somber beeld over de ecologische staat van de Noordzee en geeft inzicht in de drukfactoren die dit veroorzaken.

Het programma Monitoring en Onderzoek Natuurversterking en Soortenbescherming (MONS) is op stoom, in deze verslagleggingsperiode is de samenwerking van MONS en het Wind op Zee Ecologisch Programma (Wozep) versterkt, en zijn deze programma’s samengegaan in het uitvoeringsbureau MONS (art. 7.4.). Als voorzitter hecht ik waarde aan de koppeling van onderzoek met de dialoog die plaatsvindt in het NZO over voorgenomen beslissingen. De komende tijd zullen er steeds meer onderzoeksresultaten worden opgeleverd die de uitvoering van het NZA kunnen ondersteunen. Bij het onderzoek naar zandkokerwormriffen (NZA 4.35) is bijvoorbeeld de koppeling gemaakt naar het traject voor de aanwijzing van beschermde gebieden op zee (zie onderdeel natuur). Het NZO heeft het MONS jaarplan 2024 vastgesteld in combinatie met een herprioritering van onderzoeken. Vanwege stijgende kosten voor o.a. scheepstijd en de uitvoering van PhD’s heeft het NZO keuzes in het programma moeten maken. Ook heeft het NZO een nieuw en meer samenhangend onderzoeksprogramma naar zeezoogdieren vastgesteld, dat het oorspronkelijke onderzoeksvoorstel uit 2021 vervangt.

In het NZO is in maart de nieuwe voorzitter van de Wetenschappelijke klankbord Commissie (WKC) aangesteld, hiermee is de WKC weer op volle sterkte (OFL Advies afspraken governance NZO art. 2.11).

Samenhang in transities

Als voorzitter constateer ik dat de samenhang in de uitvoering van de verschillende transities onder druk komt te staan. De samenhang behouden vraagt inzet van alle partijen. Daarnaast is het belangrijk, zoals blijkt uit de evaluatie, om nieuwe ontwikkelingen in NZO-verband te bespreken en integraal te bezien op de impact die dit heeft op bestaande afspraken, de Noordzeenatuur en de ruimtelijke afwegingen die er worden gemaakt. Hierin moeten ook de zorgen worden meegenomen over scheepvaartveiligheid. Ten aanzien van medegebruik (NZA H 4) worden veel stappen gezet, onder andere middels onderzoek naar scheepvaartveiligheid en mogelijkheden voor de visserij en recreatieverkeer, die uiteindelijk een plek kunnen vinden in het Programma Noordzee.

Ook ontwikkelt de internationale samenwerking op Noordzeeschaal zoals in het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI) en de North Seas Energy Cooperation (NSEC) waar meer aandacht is voor bredere stakeholderbetrokkenheid. De NZO-leden waarderen de uitnodiging om hierbij betrokken te zijn. Verder hou ik als voorzitter, in het kader van integraliteit, regelmatig contact met de voorzitter van het Omgevingsberaad Waddengebied om de samenhang te borgen.

Slot

In de aankomende periode wordt er verder gewerkt aan de bovenstaande thema’s waarbij de focus blijft op de uitvoering van de NZA-afspraken. Met het zicht op een nieuw kabinet blijft het belangrijk dat er perspectief blijft voor alle transities die op de Noordzee spelen, en moet er oog zijn voor de integrale afwegingen die gemaakt moeten worden in het ruimtegebruik op de Noordzee. Als voorzitter blijf ik mij inzetten voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord en voor het op consensus gericht overleg over de opgaven voor de Noordzee.

Afbeeldingen

Bekijk ook

Cookie-instellingen