Interview Jakob Asjes: “Ik ben ervan overtuigd dat goed onderzoek leidt tot goed beleid”

01-07-2026
141 keer bekeken

Sinds eind 2022 is Jakob Asjes programmaleider van MONS, het onderzoeksprogramma dat hoort bij het Noordzeeakkoord. MONS staat voor Monitoring, Onderzoek, Natuurversterking en Soortenbescherming en moet de kennis leveren die nodig is om de afspraken uit het akkoord waar te maken.

Asjes, van oorsprong plantenecoloog, met inmiddels ruim dertig jaar ervaring op en rond de Noordzee,  vertelt over de groei van het programma, de transities die de zee onder druk zetten, de soms ongemakkelijke verhouding tussen onderzoek en beleid, en het onderzoek waar hij stiekem het meest trots op is.

Voor wie er geen verstand van heeft, lijkt het Nederlands deel van de Noordzee misschien één grote, grauwe watervlakte. Maar onder water is het er verrassend variabel. Je hebt de troebele kustzone, beïnvloed door de Rijn en de Maas; het zandige offshoregebied in het zuiden; het slibrijke en productieve Friese Front en de Oestergronden; en daarboven de Doggersbank. Het Nederlandse deel van de Noordzee is bijna twee keer zo groot als Nederland zelf — en al die variatie beïnvloedt het leven eronder. Het is precies die complexiteit waar het onderzoeksprogramma MONS grip op probeert te krijgen.

Je bent sinds eind 2022 programmaleider bij MONS. Wat trof je aan toen je begon, en waar staat het programma nu?

Toen ik begon was MONS eigenlijk nog nauwelijks van start gegaan. Er waren wel een paar kleine opdrachten voor onderzoek uitgezet, maar het grootste deel moest nog beginnen. Bovendien bestond het team nog maar uit vier personen.

En met hoeveel zijn jullie nu?

We zijn nu met dertien. Niet iedereen werkt fulltime voor het programma; sommige mensen doen het een deel van hun tijd. Maar in de afgelopen jaren is het team compleet geworden; alle functies die we nodig hebben, zijn vervuld en de sfeer, het vakmanschap en de gedrevenheid binnen het team zijn heel groot. We zijn van een paar onderzoeken gegroeid naar zo'n 60 à 70 procent van de ruim 60 geprogrammeerde onderzoeken die inmiddels lopen, gaande of afgerond zijn.

Dat moet ook wel. Veel van die onderzoeken duren meerdere jaren. Je moet ze op tijd uitzetten, anders is de looptijd van MONS voorbij voordat het onderzoek klaar is. Dat wil je natuurlijk niet.

De Noordzee verandert door windenergie, visserij, natuurherstel, scheepvaart en klimaatverandering. Welke van die veranderingen baart jou de meeste zorgen?

Ik ben al actief op de Noordzee sinds de jaren negentig, dus ik draai aardig wat tijd mee in het Noordzeeonderzoek. Bodemberoerende visserij — en visserij in het algemeen — heeft altijd al een impact gehad op het ecosysteem. Maar nu komt wind op zee eraan. Qua ruimtelijke ambitie, en dus qua ruimtelijke impact, kan dat in potentie grote effecten hebben. Misschien nu nog niet, maar de ambities zijn fors: we koersen richting 25 procent bedekking met windmolenparken van het Nederlandse deel van de Noordzee in 2050, als we zo doorgaan. Dat is een substantiële verandering.

 

“ Wind op zee is qua ruimtelijke impact minstens net zo groot als de visserij.”   

 

Tegelijk gebeurt er iets anders: de visserij wordt — hoe treurig ook — steeds minder op de Noordzee. Door hoge brandstofkosten, de Brexit en minder ruimte om te vissen zijn best veel vissers gestopt. Dus terwijl de visserij en de effecten daarvan afnemen, neemt een ander menselijk gebruik juist enorm ambitieus toe: wind op zee. Dat gaat elkaar kruisen qua ruimtelijke impact.

Alleen: van heel veel dingen die wind op zee mogelijk veroorzaakt, weten we nog niet alles. De effecten van één of twee windmolenparken kennen we wel, maar hoe dat cumulatief uitwerkt met heel veel parken, dat weten we niet. Daarvoor hebben we dat onderzoek nodig. En er is een derde factor waarvan we steeds meer indicatie krijgen dat die een rol gaat spelen: klimaatverandering, en dan vooral opwarming en hittegolven. Dat raakt de hele Noordzee — het functioneren van vogels, maar ook van vissen en het plankton, eigenlijk de volledige biodiversiteit. We moeten daar echt goed aandacht voor hebben. Niet omdat we meer bewijs nodig hebben dat klimaatverandering slecht is voor de natuur, maar omdat we moeten voorkomen dat wind op zee of visserij de schuld krijgt van veranderingen die eigenlijk door het klimaat komen. Die effecten moeten we goed uit elkaar kunnen houden.

Je bent al sinds de jaren negentig actief op de Noordzee. Hoe ziet je loopbaan eruit, en wat is je studieachtergrond?

Ik ben van oorsprong plantenecoloog. Mijn kennis van de Noordzee heb ik vooral opgedaan in mijn werkzame leven, want er zijn weinig hogere planten op de Noordzee. Die ecologische kennis komt dus niet zozeer uit mijn studie. De zee heeft altijd centraal gestaan in mijn werk. Ik ben tien jaar bij Rijkswaterstaat actief geweest in de jaren 90 — dat noem ik mijn eerste Rijkswaterstaat-carrière. Daarna ben ik naar Wageningen Marine Research gegaan, een van de grote onderzoeksinstituten voor de Noordzee, waar ik negentien jaar heb gewerkt vooral projectmanager en later als manager. En sinds 2022 ben ik terug bij Rijkswaterstaat om MONS te trekken.

Wat is je persoonlijke drijfveer? Waarom ben je niet als bioloog aan land aan de slag gegaan, maar bij het water gebleven?

Ik voel me nog steeds bioloog hoor, alleen ben ik nu vooral een bureau-bioloog. Ik ben geen actief onderzoeker meer; ik geef opdracht tot onderzoek. Maar ik vind de inhoud belangrijk: het ecologisch onderzoek naar de gevolgen van allerlei veranderingen voor de biodiversiteit. Dat toegepaste onderzoek ligt me na aan het hart. Mijn achterliggende drijfveer is dat ik hoop — nee, ervan overtuigd ben — dat goed onderzoek leidt tot goed beleid. We hebben onderzoek hard nodig om richting beleid duidelijk te maken wat wel en niet meer kan, waar grenzen worden overschreden en welke beheersmaatregelen nodig zijn om de effecten van menselijk gebruik op het ecosysteem te verminderen.

“Goed, duidelijk onderzoek met duidelijke resultaten kan leiden tot goed beleid.”    

 

Hoe zorg je dan dat al die MONS-kennis daadwerkelijk landt op de overlegtafel van het Noordzeeoverleg, en niet alleen in rapportenarchieven?

Als uitvoeringsbureau MONS zijn we een kennismakelaar. Aan de ene kant vertalen we vragen vanuit beleid en kennisvragen over de Noordzee naar daadwerkelijk onderzoek, dat we uitzetten. Daar komen resultaten uit terug, en die voorzien van wat wij een beleidsmatige duiding noemen. Die bieden we samen met het rapport aan het Noordzeeoverleg aan. Hopelijk leiden de aanbevelingen en conclusies uit die rapporten tezamen met de discussies in het Noordzeeoverleg dan tot ander beleid. Dat is onze rol.

Schuurt dat ook weleens? Bij beleid gelden een ander tempo, meer onzekerheid en andere belangen dan in de wetenschap.

Ik denk dat beleid minder geduldig is dan onderzoek. Onderzoek duurt soms drie, vier of vijf jaar voordat de resultaten er zijn, terwijl beleid vaak al na een jaar of minder resultaten nodig heeft om te verwerken in beleidsnota's of -beslissingen. Voordat je conclusies kunt trekken over veranderingen op de Noordzee of over effecten van bepaald gebruik, moet je vaak meerjarig onderzoek doen. Dus ik proef af en toe wat ongeduld in het Noordzeeoverleg: wanneer komen jullie nu eigenlijk met die resultaten? Dat schuurt wel een beetje.

Aan de andere kant kunnen wij vanuit het onderzoek ook de boodschappers van slecht nieuws zijn. Het kan zijn dat wij in de toekomst met de conclusie komen dat een bepaalde vorm van visserij of van windparkontwikkeling slecht is voor het ecosysteem, of voor onderdelen daarvan. Dat is af en toe best spannend. Er zit ongetwijfeld spanning tussen onze ecologische effectanalyses en de partijen die verder willen met het gebruik van de Noordzee. Maar dat maakt het ook een boeiend proces.

Van al die onderzoeken: wat heeft je het meest verrast, of waar ben je het meest trots op?

Er zijn een paar resultaten waar ik echt blij mee ben. We hebben bijvoorbeeld veel energie gestoken in de monitoring van zoöplankton: het dierlijke plankton, de diertjes die met het water meedrijven. Daar is de afgelopen twintig tot dertig jaar nauwelijks onderzoek naar gedaan op de Noordzee, laat staan reguliere monitoring. Binnen MONS hebben we die monitoring opgezet, met daarbij drie promovendi die onderzoek doen naar veranderingen en relaties binnen het zoöplankton en met de hogere delen van het voedselweb.

We gebruiken daarbij een innovatieve methode. Op een onderzoeksschip van de Rijksrederij staat een apparaat waar tijdens het varen water doorheen stroomt. Het maakt meerdere foto's per minuut, en via automatische beeldherkenning en AI bepalen we welke soorten zoöplankton in het water zitten en in welke hoeveelheden. Daardoor is onze kennis over de samenstelling, hoeveelheid en verspreiding van zoöplankton enorm toegenomen. Dat is belangrijk, want zoöplankton is de schakel tussen het plantaardige plankton en de vis: het is voedsel voor jonge vis, en jonge vis is weer voedsel voor oudere vis. Een cruciale schakel in het voedselweb, waar lange tijd nauwelijks aandacht voor was. Ik ben blij dat we dat weer op de kaart hebben gezet.

Een ander mooi resultaat is het onderzoek naar biogene riffen, de Sabellaria-riffen ook een afspraak uit het Noordzeeakkoord. We hebben kunnen aantonen waar ze op de Bruine Bank voorkomen en onder welke omstandigheden. Met een boxcorer, een soort pijp die je in de bodem steekt, hebben we monsters van het rif zelf genomen. Daaruit bleek dat dit de habitat is met de hoogste biodiversiteit op het Nederlandse deel van de Noordzee; er zaten ontzettend veel soorten in. Dat was verrassend, en een heel mooi resultaat.

Er loopt ook onderzoek naar pelagische vis. Wat zegt dat over de kwetsbaarheid van het hele voedselweb?

Het lastige is dat we nu drie jaar monitoring achter de rug hebben, terwijl je voor duidelijke trends echt vijf tot tien jaar nodig hebt; veranderingen gaan niet snel op de Noordzee. Maar wat veel belangrijker is: we doen dat onderzoek niet primair vanwege de vis zelf, maar omdat die pelagische vis voedsel is voor vogels. Voor visetende soorten als de zeekoet, de Jan-van-gent , de grote stern, diverse meeuwen en visdiefjes is dat een enorm belangrijke voedselbron, en we wisten eigenlijk te weinig over het voorkomen, de hoeveelheid en de soorten. Met deze impuls hebben we nu veel meer inzicht in wat er beschikbaar is als voedsel voor vogels. Naarmate we de monitoring langer volhouden, krijgen we ook inzicht in wat er verandert in die vis, en op welke ruimtelijke schaal.

Je hebt al die kennis nodig om het voedselweb te kunnen begrijpen. De veranderingen worden steeds ingewikkelder door wat wij als mens doen: meer windmolenparken die mogelijk stromingen veranderen, verschuivingen in de visserij, ambities voor zeewier- en schelpdiercultuur, en meer zandwinning langs de kust door zeespiegelstijging. De directe effecten kennen we vaak wel, maar het gaat juist om hoe al die indirecte effecten doorwerken via de voedselketen. Misschien valt het mee, misschien zijn er zelfs positieve effecten — maar dat moet je eerst goed onderzoeken. En er is maar één Noordzee; er ligt geen tweede een paar duizend kilometer verderop die als referentie kan dienen.

Wat is jouw lievelingsgedeelte van de Noordzee — wat vind je persoonlijk het leukst?

Ik ken de Noordzee als persoonlijke beleving vooral vanaf het strand; ik wandel er graag langs. Maar wat ik altijd fascinerend vind, is dat veel Nederlanders niet weten hoe helder de Noordzee is als je honderd kilometer uit de kust gaat. Bij het strand is het water troebel door de uitstroom van de Rijn en de Maas, het slib en de algenbloei, en doordat het er ondiep en turbulent is. Maar verder op zee, als ik er in juni voor onderzoek ben geweest, kun je op tien meter diepte gewoon vissen zien zwemmen. Mensen associëren die helderheid vaak met koraalriffen, maar je vindt het ook op de Noordzee.

“Honderd kilometer uit de kust kun je op tien meter diepte gewoon vissen zien zwemmen.”  

 

Ik houd ook van sportvissen. Als je op makreel vist, zie je de eerste vis al op acht meter diepte verschijnen. Zo helder is het. Dat blijf ik bijzonder vinden.

Tot slot: waar kijk je de komende jaren naar uit?

We staan aan de vooravond van een groot zeevogelonderzoek binnen MONS, gericht op de grote stern en de Jan-van-gent . Dat wordt opnieuw drie tot vier jaar onderzoek, en een mooie combinatie: onderzoek in de broedkolonies, onderzoek naar waar de vogels heen gaan op zee, en onderzoek naar hun voedsel. Dus waar het voedsel op zee zit, wat het precies is, en wat het effect daarvan is in de broedkolonies en op de populatie. Het is mooi interdisciplinair onderzoek, en ik ben heel benieuwd welke nieuwe inzichten daar over een paar jaar uit komen. De hoop is dat we dan echt uitspraken kunnen doen over hoe broedende zeevogels afhankelijk zijn van de kwaliteit van hun voedsel, hoeveel er is, waar het voorkomt en hoe bereikbaar het is. Dat wordt fascinerend.

    Afbeeldingen

    Bekijk ook

    Cookie-instellingen