Vijfde voortgangsrapportage voor de minister van Infrastructuur en Waterstaat

13-06-2023
718 keer bekeken

Op 23 mei 2023 stuurde de minister van Infrastructuur en Waterstaat de vijfde voortgangsrapportage van het Noordzeeoverleg aan de Tweede Kamer.

Leest u de onderstaande tekst liever in een PDF? Download de vijfde voortgangsrapportage met begeleidende brief van Sybilla Dekker aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Noordzeeoverleg (NZO): samenwerking, voortgang en resultaten Voortgangsrapportage 5 over de periode november 2022 tot mei 2023.

De natuur-, de voedsel- en de energietransitie, de samenhang tussen deze transities en de scheepvaart op de Noordzee vormen het hart van het Noordzeeakkoord (NZA). In de voortgangsperiode november 2022 – mei 2023 ligt het accent op de implementatie van het NZA en de balans tussen de verschillende transities. De toenemende drukte op de Noordzee doet het besef van de noodzaak van meer internationale samenwerking groeien. Het topoverleg in Oostende op 24 april 2023 in het kader van de energietransitie, het Nederlandse NSEC voorzitterschap, de veiligheid van cruciale infrastructuur en de initiatieven in het kader van de biodiversiteit illustreren deze internationale aandacht. Het NZO is het platform bij uitstek waar de verschillende actoren bij de Noordzee zich ook ten aanzien van deze ontwikkelingen met elkaar verstaan.

Implementatie NZA

Implementatie van het NZA vindt voor een belangrijk deel plaats middels het Programma Noordzee. Het Rijk bereidt zich voor op een partiële herziening van het lopende Programma Noordzee 2022-2027. Met deze partiële herziening wordt vorm gegeven aan de kabinetsambitie voor windenergie op de Noordzee en aan de scheepvaartroutering. Voor het NZO geeft de herziening een aanknopingspunt om bepalingen van het NZA tot implementatie te brengen. Het NZO heeft de contouren en de scope van deze partiële herziening besproken en de bevindingen aangeboden aan de betrokken ministers. In het NZO bestaat draagvlak voor de ambitie voor windenergie en voor veilige scheepvaartroutering. Voor het NZO is aanvullend de ecologische draagkracht van de Noordzee cruciaal en is aandacht gevraagd voor natuurbehoud, natuurherstel en de kritieke situatie in met name de kottervisserij. Met de grote transities op de Noordzee zit de visserij in het nauw. Ik spreek de wens uit dat de partiële herziening de mogelijkheid van perspectief biedt aan de sector voedsel en visserij. In aansluiting op de voedselvisie van de minister van LNV, zet ik me in voor de voedsel- en visserijtransitie en voor het op termijn verruimen van de mogelijkheden van medegebruik in windenergieparken (NZA art. 4.16) voor vormen van visserij en maricultuur.

Balans tussen de verschillende transities

Het NZO besteedt in deze verslagperiode meer aandacht aan de balans in belangen en samenhang in de uitvoering van de drie noodzakelijke transities. Met de energietransitie en de snelle uitrol van windenergie op zee is het van belang om ook de voedsel- en natuurtransities te versnellen voor de ontwikkeling van een gezonde Noordzee.

In het kader van de energietransitie hebben de NZO partijen werkafspraken gemaakt over de toepassing van de best beschikbare technieken (BBT: NZA o.a. art. 5.2, 5.6 en Bijlage 5) bij de aanleg van installaties voor mijnbouwactiviteiten. Het NZO heeft een begeleidingscommissie gevormd dat onderzoek zal begeleiden naar BBT en een afwegingskader zal opstellen voor de toepassing van BBT bij infrastructuur op zee. Ook komen gesprekken op gang over onderwerpen als CO2-opslag, waterstofproductie op zee en ontmanteling van installaties.

In deze verslagperiode is invulling gegeven aan de bepalingen (NZA o.a. art. 5.10, 5.12 en 5.16) ten aanzien van de gaswinning op de Noordzee. Onderzoek is uitgevoerd door CE Delft en TNO. Over het onderzoek ‘Gaswinning op de Noordzee en de afspraken daarover in het Noordzeeakkoord’ en de bevindingen van het NZO bent u separaat geïnformeerd door staatssecretaris Vijlbrief op 31 januari 2023 en op 21 maart 2023.

Met de studie wordt aangegeven dat gaswinning op de Noordzee naar verwachting tot 2047 minder zal zijn dan het verbruik van gas in Nederland. Daarnaast concludeert de studie dat de verwachte Nederlandse cumulatieve CO2-emissies van de economie als geheel, waaronder die van aardgasverbruik, meer zijn dan een koolstofbudget voor Nederland, dat uitgaat van een scenario waarbij het 80% zeker is dat maximaal 1,5°C mondiale opwarming gehaald zal worden (NZA art.5.10 met verwijzing naar het Klimaatakkoord van Parijs). Over de opvolging van het onderzoek vindt nog overleg plaats.

Ander onderzoek over de impact van seismische onderzoeken, gekoppeld aan de opsporing en winning van koolwaterstoffen, op natuur (art. 5.15 en bijlage 5 NZA) is in uitvoering en de eerste resultaten zijn door het NZO besproken. Ook monitort het NZO periodiek de ontwikkelingen van gaswinning in Natura 2000 gebieden (art. 4.37) en eventuele nieuwe initiatieven of vergunningaanvragen voor mijnbouwactiviteiten op zee (art. 5.11). Sinds 2020 is bij de gaswinning weinig verandering in volume opgetreden. Richting 2030 wordt een afname van de productie verwacht.

Voorts heeft het NZO aandachtspunten besproken voor het te ontwikkelen instrumentarium voor de ruimtelijke inpassing van activiteiten voor windenergie en mijnbouw op zee. Dit heeft verband met NZA afspraken 5.12-5.14 over de voorwaarden waaronder gaswinning op de Noordzee kan plaatsvinden en de ruimtelijke inpassing ervan.

Met de implementatie van het NZA werkt het NZO aan een gezonde Noordzee. Bij de natuurtransitie staat daarbij de draagkracht van het ecosysteem centraal. Het NZO zet daarom in op natuurbescherming, natuurherstel en kansen voor natuurontwikkeling. In het NZA is een uitbreiding van de beschermde gebieden vastgelegd. Te beschermen gebieden zijn daartoe in het NZA artikel 4.40 aangegeven.

Per 8 maart 2023 is, overeenkomstig Europese besluitvorming, 5% van het Nederlands deel van de Noordzee tot beschermd gebied verklaard. Een belangrijke eerste stap bij de implementatie van de NZA bepalingen. We hebben dan ook nog een weg te gaan. In het NZA (art. 4.49) is verder neergelegd dat maatregelen die leiden tot een percentage beschermde gebieden boven de 10% van kracht worden nadat de middelen uit het ‘transitiefonds’ voor de uitvoering van de Kottervisie inclusief garnalenvisserij daadwerkelijk beschikbaar zijn gesteld. Met het NZA (artikel 4.38) werken we aan 15% gebied dat gevrijwaard is van bodemberoerende visserij in 2030. Voor de tranche van 13,7% - 15%, die in het NZA nog niet concreet is ingevuld, werken we aan de inventarisatie van gebieden die voor deze stap in aanmerking komen. Op Europees en mondiaal niveau wordt inmiddels, in het kader van de biodiversiteitsstrategie en als onderdeel van het EU-Actieplan duurzame visserij, over veel hogere percentages zoals 30% gesproken. In het NZO kijken we op strategisch niveau vooruit op deze ontwikkelingen.

Eind 2022 is het wetenschappelijk onderzoek afgerond naar gebieden op zee die voldoen aan selectiecriteria voor aanwijzing als Vogelrichtlijngebied (NZA art. 4.34). De vervolgstappen voor het daadwerkelijk aanwijzen van vier van de zes onderzochte gebieden (Hollandse Kust, Doggersbank, Klaverbank, Centrale Oestergronden) zijn in gang gezet. Tenslotte heeft het NZO ingestemd met en positief geconcludeerd over het Haaien- en Roggenactieplan 2022-2027 (NZA art. 6.8-6.12). Voorbereidend werk is verricht voor de evaluatie van het bestaande Bruinvisbeschermingsplan (NZA art. 6.8).

Voor de voedseltransitie zet ik alle zeilen bij, en dat is nodig. De visserij ziet in rap tempo de beschikbare ruimte op zee en het perspectief voor de sector verminderen. De schommelingen van de energieprijzen in deze verslagperiode speelt mee bij de beslissing van vele vissers om schepen aan te melden voor de saneringsregeling. De ontwikkelingen raken de visserijgemeenschappen in het hart. Met een speciaal daartoe opgerichte werkgroep ondersteunt het NZO de voedseltransitie. De afspraken over de aanpassing van de visserij zijn opgenomen in NZA hoofdstuk 6. Verduurzaming van de vloot en innovatie zijn cruciaal om perspectief te bieden aan deze sector. In samenhang met trajecten geïnitieerd door het ministerie van LNV voor de ontwikkeling van een voedselvisie en het Visserij Innovatie Netwerk (VIN) werkt het NZO aan de voedseltransitie op de Noordzee. Het medegebruik in windparken en het multifunctioneel ruimtegebruik op de Noordzee bespreken we om de mogelijkheden voor verschillende vormen van visserij en van voedselwinning vorm te geven. Deze besprekingen vormen ook een inhoudelijke inbreng voor het onderwerp medegebruik in het kader van de partiële herziening Programma Noordzee 2022-2027. De pilots met passieve visserij in windparken en zeewierboerderijen (art. 4.16) zijn inspirerend om verder mee te werken. In het kader van een duurzame voedseltransitie is de productie van voedsel uit zee en daarmee dicht bij de consument voor het NZO een speerpunt.

Het MONS-programma en de Wetenschappelijke Klankbord Commissie

Het uitvoeringsbureau MONS (UB MONS) is met enige vertraging eind 2022 voortvarend van start gegaan met de uitvoering van onderzoeken en de prioritering van onderzoeken, zoals opgenomen in het MONS programma dat is opgesteld op basis van NZA Bijlage 2. Daarmee heeft het NZO invulling gegeven aan meerdere afspraken uit het NZA hoofdstuk 7 over het opzetten van een integraal en systematische monitoringsen onderzoeksagenda. Begin 2023 heeft het NZO de programmering en prioritering van MONS onderzoeken voor dit jaar vastgesteld. Dit om ervoor te zorgen dat de onderzoeksresultaten op het juiste moment kunnen bijdragen aan op consensus gerichte besluitvorming in het Noordzeeoverleg. Binnen Rijkswaterstaat stemt het UB MONS nauw af met het Wind op zee ecologisch programma (Wozep) om onderzoek dat in beide programma’s plaatsvindt inhoudelijk te stroomlijnen, conform NZA art. 7.4. In deze verslagperiode zijn enkele MONS onderzoeken afgerond en openbaar gemaakt (art. 7.3). De komende maanden zal het UB MONS werken aan de Staat van Noordzee rapportage, zodat de eerste Staat van de Noordzee na de zomer vastgesteld kan worden. In NZA art. 7.9 is afgesproken dat deze publicatie elke twee jaar verschijnt. Door de latere start van het UB MONS verschijnt de eerste versie in 2023. Dit biedt tegelijk de kans om de meest recente inzichten over het mariene milieu vanuit OSPAR in het rapport te verwerken.

De Wetenschappelijke Klankbordcommissie is op volle sterkte en ondersteunt met gevraagd en ongevraagd advies het NZO (OFL Advies afspraken governance NZO art. 2.11). Zo heeft de WKC onderzoek naar de gevolgen van vogelgriep bij zeevogels en internationaal onderzoek naar effecten van windenergiewinning op zee op vogels toegelicht.

Reflectie, evaluatie en vooruitzien

Naast de halfjaarlijkse rapportage over de voortgang van de implementatie van het NZA, waarvan deze de vijfde is, vindt jaarlijks een evaluatie van het Noordzeeoverleg plaats (art. 1.6 Advies governance afspraken NZO). Deze jaarlijkse evaluatie staat in het teken van de samenwerking van stakeholders en overheidspartijen in het NZO en de implementatie van het NZA.

In de NZO evaluatie die in deze verslagperiode is opgesteld komt naar voren dat de opgaven die in het NZA zijn verwoord meer inzet vragen dan eerder verwacht. De wenselijkheid om de natuurtransitie en de voedseltransitie meer in balans te brengen met de snelheid van de energietransitie komt daarbij. De werkdruk en de vergaderfrequentie van het NZO is dan ook hoog.

De inspanningen om de voortgang van de implementatie van het NZA inzichtelijk te maken mede aan de hand van mijlpalen, en de afspraken om de werkgroepen efficiënter aan te pakken ten behoeve van de besluitvorming in het NZO worden positief gewaardeerd.

Overeenkomstig het NZA (blz. 8 en art. 3.9) en het OFL Advies afspraken governance NZO (art. 4.11, 4.12 en 5.4) vindt in 2023 de tussentijdse evaluatie van het NZA “transitiefonds” plaats. Deze tussentijdse evaluatie dient in de eerste plaats helder te maken of de middelen van het “transitiefonds” voldoende zijn om de doelen van het NZA te bereiken. In het NZO is de voorbereiding van de evaluatie ter hand genomen. Bij de middelen van het “transitiefonds” gaat het om de middelen voor de uitvoering van NZA Bijlage 2 MONS, de uitvoering van de visserijmaatregelen in de kottervisie, kosten van veilige doorvaart van windenergieparken en toezicht op de uitvoering van het NZA. In de tweede helft van het jaar zal de evaluatie worden uitgevoerd. De dynamische ontwikkeling van de Noordzee vraagt om over grenzen heen te kijken. Het NZO focust zich in strategische bijeenkomsten op de omgeving, op ontwikkelingen die verder reiken dan de grenzen van het NZA zoals de Noordzee na 2030 en een Noordzee met meer dan 40 GW geïnstalleerd vermogen aan windenergie. Voor veel infrastructurele werken werpen vraagstukken na 2030 hun schaduw vooruit naar vandaag. De kabinetsambitie voor windenergie op de Noordzee is de 40 GW inmiddels ruim gepasseerd. Ook internationale ontwikkelingen komen indringender aan de orde in het NZO. Naast de geopolitieke ontwikkelingen en de effecten daarvan op de kwetsbare en cruciale infrastructuur gaat het om de samenwerking tussen de landen in Noordwest Europa rond de Noordzee en de verknoping van infrastructuurnetten zodat interconnectie tussen de energienetten van de Noordzee kustoeverstaten ontstaat.

Met de snel elkaar opvolgende ontwikkelingen neem ik waar dat bij partijen de integrale benadering van opgaven onder druk staat. Het vraagt inspanning van mij en alle betrokken partijen om in gezamenlijkheid de uitdagingen op de Noordzee aan te gaan.

Afbeeldingen

Bekijk ook

Cookie-instellingen